Steeds
duidelijker wordt dat VPKN geen eenheid vormt
De Schrift bewijst, maar hoeft niet bewezen
Door dr. B. A. Zuiddam Wie uit is op het behoud van
professor C. J. den Heyer, zal hem niet overtuigen door hem conservatieve
schriftkritische methoden voor te houden, of door hem op lacunes en
inconsequenties binnen zijn theorievorming te wijzen. Bezinning op de
verzoening heeft geen zin zolang men niet doordringt tot het eigenlijke
probleem.
De ontkenning van Christus' verzoenend offer is slechts een symptoom
van een verkeerde omgang met Gods spreken. Zolang kerken aan hun
theologische wetenschap principieel de ruimte geven om met behulp van
menselijke theorievonning openbaring te corrigeren, heeft Den Heyer daar
een legitieme plaats. De moeite met Den Heyers standpunt is recent nieuw
leven ingeblazen door de affaire-Van Drimmelen. De achtergrond van de
moeite van de Gereformeerde Bond, waarmee ik me van harte verbonden voel,
is de naderende VPKN, die nu des te meer als een zwaard van Damocles boven
het hoofd van de Bond hangt. Steeds meer wordt duidelijk dat er geen
sprake is van substantiële eenheid in Christus en waarheid in de
Samen-op-Wegkerken.
Gevormd door de Schriften Tijden van crisis zijn niet
nieuw in de geschiedenis van de kerk. Daarom is het goed om te rade te
gaan bij de Vroege Kerk over het kernprobleem van de omgang met Gods
openbaring. Uit geschriften van kerkleiders uit diverse delen van het
Romeinse Rijk blijkt dat de Bijbel voor hen gezag had omdat hij van God
afkwam. Niet omdat zij een theorie bedacht hadden waarmee ze er iets
gezaghebbends uit konden afleiden. Het waren immers woorden van de Heere.
Daarom waren ze betrouwbaar. Zonder hulp van kerkelijke beslissingen over
lijsten van echte bijbelboeken, herkenden christenen Gods stem in de
Schriften.
De populaire mening van Den Heyer over de vorming van het Nieuwe
Testament als product van gemeentetheologie staat op een historisch
uiterst wankele basis. De na-apostolische kerk produceerde niet het Nieuwe
Testament. Integendeel, de beschikbare historische gegevens wijzen er
juist op dat de Kerk van de tweede eeuw veeleer een product was van de
Schriften. De bijbelboeken kregen als boek met een daaraan verbonden
auteur reeds zeer vroeg erkenning in de gemeenten. Bijna overal waar kan
worden aangetoond dat ze bekend waren, waren ze gewoonlijk ook erkend.
Waarom? Niet vanwege besluiten van de Kerk, maar omdat de gemeente in die
Boeken Gods gezaghebbend spreken ervoer. Uiteindelijk kwamen de Schriften
van een almachtige Schepper, Die eenheid van waarheid in het universum
garandeerde. Daarom aarzelde de Kerk niet om juist tegenover ongelovigen
te benadrukken dat de bijbelse Geschriften woorden van God Zelf waren.
Gods openbaring werd zo de allesbeslissende norm voor hun doen en denken.
Ook waren de Schriften van grote invloed op de schrijfstijl van
kerkleiders als Ignatius, Irenaeus en Clemens. Dit kwam niet alleen tot
uitdrukking in bijbels taalgebruik, maar ook in een bijna singuliere
aandacht voor bijbelse onderwerpen. Bovendien citeerden ze duizenden
passages uit de Schriften. Vooral de boeken Genesis, Psalmen, Jesaja,
Mattheüs, Lukas, Johannes, Romeinen en 1 Korinthiërs,waren erg in trek.
Trend Schriftgezag was voor de Vroege Kerk geen
verlegenheid, maar een vanzelfsprekendheid. Dat bleek al vroeg in de
tweede eeuw. Ignatius uit Antiochië is hiervan een voorbeeld. Van de man
uit de Syrische hoofdstad zijn ongeveer dertien brieven over, waarvan er
gewoonlijk zeven voor echt worden gehouden. De grote waarde van zijn werk
is dat hij schriftgezag poneert als een gegeven. De Schriften worden
gebruikt als bewijs, maar hoeven nooit bewezen te worden. Hier wordt een
trend zichtbaar die dwars door de Vroege Kerk heen waargenomen kan worden.
“Er staat geschreven” was voor Ignatius het einde van alle tegenspraak.
Als hij bijbelse wonderen verhaalt, zet de kerkleider deze kracht bij met
woorden als “echt waar!”
Het waarheidsgehalte van bijbelse uitspraken was voor de theologen van
die tijd erg belangrijk. De Kerk gebruikte de Schriften als maatstaf om
dwaalleer, zoals de gnostiek, af te wijzen. Juist omdat de bijbelboeken
van God kwamen, konden kerkleiders ze gebruiken als bewijs. Dat was voor
hen geen sprong in duistere irrationaliteit. Geloof en verstand waren geen
concurrenten. De geleerde kerkleider Irenaeus uit Zuid-Frankrijk is
hiervan een goed voorbeeld. Als iemand namens God sprak, deed hij dat
volgens Irenaeus zonder leugen.
”Gedicteerd” Men geloofde niet in een hoeveelheid
optionele verzoenings- en andere theologieîn. In de Vroege Kerk leefde
sterk de gedachte dat de woorden van de profeten en de apostelen
neergeschreven waren door Gods besluit. Zo waren ze de zuil en het
fundament voor het geloof van de christenen die na hen kwamen. Om zulk
werk te kunnen leveren, hadden de apostelen volmaakte kennis ontvangen van
de Heilige Geest. Irenaeus schreef letterlijk: De Schriften zijn immers
volmaakt, aangezien ze door het Woord van God en Zijn Geest zijn
gedicteerd (dictaat). Daarom kon de kerkleider de woorden uit Openbaring
(22:18 en 19) over af- en toedoen letterlijk toepassen op de Schriften in
het algemeen. Ook iemand als Clemens van Alexandrië was heel specifiek
over het spreken van God door de Schriften. De Heere sprak verbatim door
de mond van apostelen en profeten. De man uit Egypte schreef in dit
verband over heilige letters en lettergrepen.
Relatie Maar het spreken van God in de Schriften mag
nooit alleen maar theoretisch vaststaan. In de oude Kerk hing het
schriftgezag nauw samen met een persoonlijke verhouding van de christen
tot de Vader. De Heere sprak door een mensenmond. Het eindproduct van dit
proces waren de Schriften. De bijbelse boeken hadden gezag omdat de Heere
Zelf aan het woord was. God had alle recht op vertrouwen en
gehoorzaamheid. Clemens van Alexandrië was een goed vertegenwoordiger van
deze gedachtegang. De Egyptische kerkleider stelde dat God letterlijk
sprak door de bijbelschrijvers. Het was de stem van de Heiland en van de
Heilige Geest die de Psalmen van David had gezongen. Clemens zou zeggen:
zingen, want hun spreken was voor hem een realiteit in het heden. De
profeten namen het woord, maar de Geest die levend maakt, sprak en spreekt
door hun mond. Daarom werd door de Kerk het schriftelijke middel dat God
gebruikt had, niet verabsoluteerd. Het ging in de eerste plaats om de
ervaring van Gods betrouwbaar spreken. Inhoudelijke waarheid kon ook
anders dan op schriftelijke wijze worden doorgegeven. Iemand als Irenaeus
vond het niet uitmaken als Gods waarheden beleden en geleefd werden zonder
dat er apostolische Schriften in de buurt waren. Het ging hem om de inhoud
en niet om het middel. Toch was dat geen aanleiding om de betrouwbaarheid
van het schriftelijke middel te ontkennen. We zagen juist al dat Irenaeus
het als “gedicteerd door God” beschouwde. Voor hem ging het om één
waarheid, die gebruik kon maken van diverse kanalen. Dezelfde Geest kon
daarmee overal werken. Maar Irenaeus maakte Geest en waarheid niet los van
elkaar. Uitspraken van de Kerk die tegende Schriften ingaan, waren voor
hem niet in te denken. Zelfs niet met eenberoep op de Heilige Geest.
Waarheid was juist een kenmerk van de Geest.
Saulus Daarmee heeft de Vroege Kerk een belangrijke
boodschap voor onze tijd. Geest en Bijbel horen bij elkaar. Wie de Bijbel
aantast, bedroeft ook de Geest. Wie een kerkelijke weg voortzet waar men
dit willens en wetens structureel mogelijk maakt en financieel
ondersteunt, zal uiteindelijk ook de wrange vruchten van deze gang
plukken. Laten we echter oppassen voor formalistische en juridische
theorieën, en de Heere vragen om mensen als de Kamper hoogleraar aan te
raken door Zijn Geest. Zelfs voor Saulus was er hoop. De auteur is
gepromoveerd in de godgeleerdheid op een dissertatie over het schriftgezag
in de Vroege Kerk. |
|