![]() |
Ignatius’ andere brieven[1]
Dr. B.A. Zuiddam
Het gebeurde ongeveer negentien
honderd jaar geleden. Vergezeld door Romeinse bewakers trok de kerkvader Ignatius
van Antiochië naar Rome. Daar wachtte
hem de doodstraf die voltrokken zou worden door de wilde dieren van het
amfitheater. Onderweg schreef hij
brieven aan Christelijke gemeenten in Klein-Azië en Syrië.
Hoeveel brieven? Niemand weet het
meer precies te zeggen. Sinds het einde van de zeventiende eeuw veronderstellen
de experts dat het er zeven zijn geweest.
Die opvatting is tot nu toe in Kerkhistorische kringen trouw herhaald. Maar waren het er zeven?
1.REINHARDUS
Veel is er niet meer van hen bekend. Vanaf de achttiende eeuw worden ze bijna
niet meer betrokken bij gedrukte edities van de brieven van Ignatius. In de oude universiteitsbibliotheken van
Europa kunnen elf, dertien en soms wel vijftien brieven van Ignatius worden
gevonden. Zo treft men in het
Nederlandse Utrecht een editie van 1537, ongeveer honderd jaar voordat de
Vossiaanse[2]
denkbeelden hun ondergang inzetten. De
gedrukte editie was van Reinhardus Lorichius Hamadarius, een Duitse geleerde
uit de zestiende eeuw.[3]
Laten we hem zelf maar even aan
het woord laten. Hoe dacht Reinhardus
over de brieven van Ignatius? “Zijn
eerste brief heeft hij geschreven aan de Tralliërs, de tweede aan de
Magnesiërs, de derde aan de <christenen> van Tarsen; de vierde aan de
Philippenzen, vijfde aan de Philadelphiërs, de zesde aan de Smyrnaërs, de
zevende aan Polycarpus de opziener over de Smyrnaërs, de achtste aan de
Antiochiërs, de negende aan Heron diaken van de Antiochiërs, de tiende aan de
Epheziërs, en de elfde aan de Romeinen.”[4]
Toch erkende Reinhardus niet alle
brieven die aan Ignatius werden toegeschreven.
Of ze waren niet allen aan hem bekend.
Er waren ook Griekse en Latijnse handschriften in omloop die van de
kerkvader afkomstig zouden zijn. Te
weten: brieven aan Maria van Neapolis,[5]
aan Maria van Cassoboliten,[6]
aan de apostel Johannes[7]
en aan de moeder van de Heere Jezus Christus.[8] De eerste twee zijn overgeleverd in Grieks
en Latijn, de anderen zijn alleen bekend in de laatste taal.
2. ISAACUS VOSSIUS
Tot in de zeventiende eeuw werden de elf brieven van
Reinhardus als echt beschouwd. Dat
blijkt onder meer uit de uitgave van de geleerde Martiales in Frankrijk uit
1608.[9]
De Nederlandse geleerde Vossius van Leiden en Amsterdam
gaf de inzet tot een kritischer benadering. Dat gebeurde in 1646. Hij erkende nog maar zes brieven als echt:
de vijf gemeentebrieven aan Efeze, Magnesia, Trallië, Philadelphia, Smyrna en
de brief aan Polycarpus. Toch zouden ook deze zes nog onderhevig zijn geweest
aan allerhande toevoegingen. Daarom
sprak Vossius van de geïnterpoleerde brieven.[10]
De geleerde gebruikte voor deze stelling handschriften die
hij in Italië had aangetroffen.[11] Maar de Nederlander maakte toch een eigen
selectie uit dit wat hij in Florence onder ogen had gekregen, en gaf dat ook
zelf toe.[12] Hoewel Isaacus Vossius slechts de
authenticiteit van zes brieven erkende, nam hijzelf toch alle brieven op in
zijn uitgave van het werk van Ignatius.[13]
2.1 Vossiaans
In onze tijd wordt alleen nog maar een gezuiverde versie gehanteerd
van de zeven brieven die de geschiedschrijver Eusebius noemt.[14] Dat betekent dat naast de zes brieven van
Vossius ook een brief aan de Romeinen als echt wordt erkend.[15] Hoewel het technisch enigszins onzorgvuldig
is, staan de zeven brieven staan bekend als de Vossiaanse of korte recensie. In 1710 kwam er een Engelse vertaling van op de markt, die het
bestaan van andere Ignatiaanse brieven negeerde.[16] Bijna driehonderd jaar later is in deze
trend nog geen wijziging opgetreden.[17]
2.2 Vossius en Polycarpus
De extra brieven zijn de moeite
van het bekijken waard. Dat geldt ook van de Latijnse editie van de “gewone”
brieven. In 1644 publiceerde aartsbisschop Usher in Oxford de oud-Latijnse
vertaling van de brieven van Ignatius.
Maar nog te weinig wordt beseft
dat Reinhardus bijna honderd jaar eerder al vergelijkbaar werk verzet had in
Parijs. In het Middeleeuws Latijn maakt de brief aan Polycarpus een zware
institutionele en dogmatische indruk.
Polycarpus moet zijn positie verdedigen met alle ijver. De eenheid van leiding moet hij bewaren,
want iets beters is er niet.[18] Over de natuur van Christus worden
scherpzinnige formuleringen tentoon gespreid.[19]
Het wekt dan ook geen bevreemding dat Usher de authenticiteit van de Polycarpusbrief
in twijfel trok. Ook Vossius vond
enkele dingen in de brief verdacht, maar legde zich neer bij het getuigenis van
de oude Kerk die deze brief afzonderlijk van die aan Smyrna noemt.
Vossius had zijn uitgave van
Ignatius gebaseerd op een handschrift dat hij in Florence gevonden had. In de Laurentiaanse bibliotheek aldaar werd
redelijk onlangs een nieuwe vondst gedaan in verband met Ignatius en
Polycarpus. Een Middeleeuwse codex
aldaar beschrijft de leerregel voor monniken en bevat uittreksels van de
Schrift en de Kerkvaders. Aan het einde van de jaren tachtig is bekend geworden
dat een fragment uit de brief van Ignatius aan Polycarpus in deze versie
doorgaat waar de korte recensie ophoudt. Dit extra deel heeft citaten uit het
Nieuwe Testament die verwijzen naar de omgang met slaven. Met veel speculatie
is het fragment wel teruggevoerd tot een denkbeeldig origineel uit de vierde
eeuw. Daar enig tekstgetuigenis
ontbreekt, lijkt het waarschijnlijker dat het om een bespiegeling van een
Middeleeuwse monnik gaat.[20]
3. VIER VERWORPEN BRIEVEN EN DE
BIJBEL
Van de elf brieven van Reinhardus
zijn de brieven aan de gemeenten van Tarsus, Philippi, Antiochië en aan de
diaken Heron uiteindelijk verworpen.
De brief aan de Philippenzen
staat geheel in het teken van de doop.[21]
De andere drie leveren wat meer
op waar het Schriftverwijzingen betreft.
De brief aan de Christenen in
Tarsus heeft verwijzingen naar Daniel 6, 1 Korinthe 16, Galaten 3, Galaten 6,
Romeinen 6, 1 Timotheüs 2, Kolossenzen 1, Johannes 20, 1 Korinthe 7 en Spreuken
8.[22] Ignatius groet met de Bijbelse zegenspreuk “Ò 5bD4@H :,2z ß:4<”.[23]
De andere twee brieven zijn
beiden gericht aan christenen in
Antiochië. De eerste is een algemene
brief aan de gemeente.[24]
De tweede is speciaal gericht aan de diaken Heron.
De algemene brief aan de
christenen in Antiochië zou vanuit Philippi geschreven zijn. Opvallend is het
grote gebruik dat Ignatius hier maakt van citaten uit het Oude Testament. Allen passen ze in bij het verkondigingsdoel. Hij waarschuwt tegen het vuur en sulfer dat
vanuit de hemel over Sodom en Gommorra uitgegoten werd.[25]
Ignatius voelt zich volkomen een
met de profeten van weleer, die de Heere verwachtten.[26] De profetieën van Jesaja over het Immanuëlsteken
en de lijdende Knecht des Heeren past hij toe op Messias Jezus.[27]
In de brief aan Heron zegt
Ignatius het allemaal nog een beetje sterker.
Wie iets tegen de Wet en de profeten meent te hebben, hoort bij de
antichrist![28]
De Ignatius zoals die uit brede
recensie van de brieven naar voren komt, ging zeer letterlijk met de Bijbel
om. Oude en Nieuwe Testament vatte hij
op in strikt historische zin.
4. ZIJN ZE ECHT?
Of de brieven echt zijn of niet,
is nooit meer met zekerheid te achterhalen.
De overlevering van het werk van Ignatius is daarvoor te zwak. Ook
ontbreekt het aan geschiedkundige beschrijving waardoor we met meer historisch
beoordelingsvermogen zouden kunnen kijken naar dit proces.
Hoe het oordeel over de
authenticiteit ook uitvalt, het blijft de vraag of het theologisch oordeel over
Ignatius verantwoord gebaseerd kan worden op de selectie van zeven brieven.
Het wil voorkomen alsof aan de
selectie van de zeven brieven andere overwegingen dan zuiver wetenschappelijke ten
grondslag liggen. Vossius leefde in een historische context van aversie tegen
het middeleeuws Rooms-katholicisme, maar had een goede kennis van Grieks en
Latijn. Dat laatste is in onze eeuw
zeldzaam geworden. Dit was mede de
oorzaak dat men heeft voortgeborduurd op zeventiende-eeuwse conclusies die
binnen een afgebakende historische context waren getrokken. Aan degelijk
vergelijkend onderzoek tussen de “echte” en de “andere” brieven van Ignatius
heeft het dan ook ontbroken bij de voorstanders van de zeven brievenhypothese
in onze tijd.
4.1 Eusebius
De enige deugdelijke historische
aanwijzing voor de beperkte selectie van deze brieven is het getuigenis van de
kerkvader Eusebius van Caesarea. Het is aannemelijk dat Eusebius de zeven
brieven heeft gekend vanuit zijn Geschiedenis der Kerk. Het is echter moeilijk aan te tonen dat hij
er slechts van zeven geweten heeft.
Zelfs al waren alleen deze zeven aan hem bekend, dan nog konden er
anderen zijn geweest waarvan de kerkgeschiedkundige niet wist. Eusebius was niet alwetend.
Als de brieven die Eusebius
noemt, moeten worden opgevat in beperkende zin, komt het echte probleem bij de
selectie zelf. De tekstoverlevering
waarover we nu beschikken, is niet hetzelfde als bij Eusebius. Het enige oude papyrusfragment dat een
volledige brief aan Smyrna verondersteld, is
klein en kan niet vroeger gedateerd worden dan de vijfde eeuw.[29] De andere manuscripten zijn allemaal veel
nieuwer. De Syrische versie wordt zelfs
door ondersteuners van de zeven brieven gezien als een late verkorting van de
bedorven “Westerse” overlevering.[30]
4.2 Theoretische
constructie
Feit blijft dat de tekst van de
Vossiaanse, Eusebiaanse of korte recensie, slechts een theoretische constructie
is. Zij gaat niet terug op zichtbaar
tekstgetuigenis. Altijd moet op een
manier worden geknipt en geplakt in de tekstoverleveringen die voorhanden zijn.
De overlevering draagt ook andere
brieven van Ignatius aan als echt. Zelfs de bron van Vossius deed dat. Het is
wetenschappelijk oneerlijk om deze feiten te negeren en te doen alsof er een
betrouwbare tekstoverlevering is die zeven zuivere brieven presenteert!
Bovendien moet zelfs aan de
“echte” brieven gesleuteld worden tot ze theologisch aanvaardbaar voor de tijd
van Ignatius worden geacht. Het criterium is vanaf hier dogmatisch en niet
langer zuiver historisch van aard.
Dit laatste geldt niet als het
gaat over de verwerping van de Latijnse brieven aan Maria en de apostel
Johannes. Van hen bestaat geen Griekse
overlevering. Maar ook inhoudelijk en
historisch staan ze zover af van de rest van het Ignatiaanse corpus, dat ze
gemakkelijk als vrome Middeleeuwse vervalsingen kunnen worden afgedaan.
4.3 Uitwendig
tekstgetuigenis
Met de elf brieven die in het
Grieks zijn overgeleverd, gaat dat wat moeilijker. Voor de meeste van hen geldt dat ze heel goed passen in de
brievenverzameling van Ignatius zoals die tot ons is gekomen. Tekstkritisch gesproken vormen de verworpen
brieven een goede eenheid met de ongecensureerde weergave van de “echte”
brieven. Ook linguïstisch valt het tegendeel moeilijk aan te tonen.[31] Met enig gesleutel kunnen ze ook
“aanvaardbaar” worden gemaakt.
4.4 Alleen
dogmatisch criterium mogelijk
Wie dan kiest voor een zekere
interpretatie van het getuigenis van Eusebius, dat deze slechts zeven brieven
zou hebben gekend en er ook niet meer bestonden, maakt daarmee het getuigenis
van de brievenoverlevering erg wankel.
Met andere woorden: een brievencorpus dat zich op geheel andere wijze
aandient, dan men er over gehoord heeft, is onbetrouwbaar. Of men heeft verkeerd geluisterd, òf de
overlevering deugt niet. In dat laatste
geval is het sterk de vraag of op zuiver historische gronden nog en selectie
kan worden gemaakt uit de brieven van Ignatius. Alleen dogmatische aanwijzingen
spelen dan nog een wezenlijke rol. In de discussie rond Ignatius hebben deze
zich vooral gecentreerd rond zijn, al dan niet veronderstelde,
hoogkerkelijke ambts- en
sacramentsopvattingen.
Het grote wetenschappelijke
nadeel van de huidige wetenschappelijke stand van zaken, is dat een vooroordeel
dat het brievencorpus zelf niet aandraagt, gebruikt wordt als selectiecriterium
voor tekstoverlevering. Daarmee wordt
het a priori onmogelijk om met zekerheid te weten wat dan nog echt is en wat
niet. Wie een ander criterium voor
selectie verkiest, komt tot hele andere resultaten. Dat blijkt uit heftige aanvallen door tegenstanders van de zeven
brieven, die gewoonlijk pleiten voor een nog beperkter selectie.[32] De vraag is echter of hun selectie
wetenschappelijk gezien op een deugdelijker fundament berust, dan die van de
zeven brieven hypothese. Gewoonlijk wordt een nieuwe hypothese over “hoe
Ignatius werkelijk was” afgedrukt op de bestaande tekst.
5. CONCLUSIE
Ten aanzien van Ignatius zijn er eigenlijk
maar twee werkbare hypothesen mogelijk.
a) Ongeveer het hele Griekse brievencorpus berust op redelijk
betrouwbare overlevering die teruggaat tot op Ignatius zelf.
b) Het hele Griekse brievencorpus zoals we dat nu kennen is
onbetrouwbaar, of het nu teruggaat op een vervalsing of gedeeltelijk op
Ignatius zelf. Wetenschappelijk valt er
niet deugdelijk mee te werken als Ignatiaans materiaal. Alleen inhoudelijk en
theologisch kunnen we er ons voordeel mee doen.
Dit artikel wil geen keuze voor u
maken, maar wel voor keuzen stellen. Hoe ze ook uitvalt, één ding staat vast.
Vals of echt, de brieven van Ignatius zijn eeuwenlang een impuls voor theologische en Kerkhistorische bezinning
gebleken. Voor zover ze ons nader aan
Gods Woord brengen, zijn ze van eeuwigheidswaarde, ook in het nieuwe
Zuid-Afrika.
Bibliografie
Brown; M.P.; The Authentic Writings of Ignatius, a study
of linguistic criteria; Duke University
Press; Durham N.C. 1963. Brown; M.P.; The Authentic Writings of Ignatius, a study
of linguistic criteria; Duke University
Press; Durham N.C. 1963.
Colson,
J.; Agapè Charité chez Saint Ignace
d’Antioche; Editions S.O.S; Paris 1961.
Corwin, V.; St. Ignatius and Christianity in Antioch
(Yale Publications in Religion, 1, editor: David Horne); Yale University Press;
New Haven 1960.
Goltz; E.
Freiherrn von der; Ignatius von
Antiochien als Christ und Theologe, eine dogmengeschichtliche
Untersuchung; J.C. Hinrich’sche
Buchhandlung; Leipzig 1894.
Joly,
R.; Le Dossier d’Ignace d’Antioche;
Université libre de Bruxelles, Faculté de Philosophie et Lettres LXIX; Éditions
de l’Université Bruxelles; Brussel 1979.
Kampenhausen, H.von.; Griechischen Kirchenväter; Kohlhammer Verlag; Stuttgart 1955.
Klevinghaus, J.; Die theologische Stellung der Apostolische
Väter zur alttestamentlichen Offenbarung;
Bertelsmann Verlag; Gütersloh
1948.
Laemmer, H.; +KG+#3?K I?K
A!9M373?Ks
+557+E3!EI35+E
3EI?C3!Gs
#3#7?3
)+5!, Graecum textum, collatis qui in Germaniae
et Italiae bibliothecis asservantur codicibus et adhibitis praestantissimis
editionibus recensuit atque emendacit, latinam hendrici valesii verrioneme
passim correctam subiunxit, apparatum criticum apposuit, fontes annotavit,
prolegomena et indices adiecit;
Sumtibus Librariae Hurterianae;
Scaphusiae 1862.
Lietzmann, H.; Geschichte der Alten Kirche;
Walter de Gruyter; Berlin 1975.
Lightfoot,
J.B.; The Apostolic Fathers, Part II:
Ignatius and Polycarp; Hendrickson
Publishers; Peabody 1989.
Lipsius, R.A.; Ueber das Verhältniss des Textes der drei syrischen Briefe des
Ignatios zu den hbrigen Recensionen der Ignatianischen Literatur; Abhandlungen
für die Kunde des Morgenlandes;
Deutschen Morgenländischen Gesellschaft; Leipzig 1859.
Martiales; I?K +; !'3?3G
3+C
?9!CIKC?G
3';!I3?Ks
!CO3+A3E5?A?K
!<J4@P,\"H
+B4FJ@8"Â;
sancti martyris Ignatii, Antiochiae Archiepiskopi Epistolae. Nuc demùm, cum Latina interpretatione è
regione Graecis apposita, in lucem editae, recognitae, & Notis
illustrattae. Per Martialem Maestrem,
doctor Theologum; Parisiis, apud Marcum
Orry, via Iacobaea ad infigne Leonis falientis M.DC.VIII (1608).
Meinhold,
P.; Studien zu Ignatius von
Antiochien; Veröffentlichungen des
Instituts für europäische Geschichte Mainz, Band 97, Abteilung für
abendlündische Religonsgeschichte;
Franz Steiner Verlag; Wiesbaden
1979.
Paulsen, H.; Studien zur Theologie des Ignatius von Anthiochien; Forschungen zur Kirchen- und
Dogmengeschichte, Band 29; Vandenhoeck & Ruprecht; Göttingen 1978.
Rathke, H.; Ignatius von Antiochien und die Paulusbriefe; Texte und Untersuchungen zur Geschichte der
altchristlichen Literatur, Band 99;
Akademie Verlag; Berlin 1967.
Reinhardus Lorichius hammadarius; Gloriosi Christi martyris Ignatii
Antiochene, Antistitis, Epistolae undecim, item una beate Polycarpi Martyris
Epistola, cu# Argume#nto Tacabi Fabri Stapulensis in easdem, Argent orati
MDXXVII (1527). Het is opgenomen in de
zelfde band als Historia persecutionJ, quas in Aphrica olim circa D.Augustini
tempora, Christiani perpessi sub ben serycho et Hunerycho vandalorum regibus;
Marpurgi, kalendis Septembribus Anno 1537; (voorwoord: colonie, apud Eucharium
1537, mense Aug.) Reinhardus Lorichius Hadamarius SDP.
Rius-Camps,
J.; The Four Authentic Letters of Ignatius,
the Martyr; Pontificium Institutum
Orientalum Studiorum; Roma 1980.
Rüsch,
T.; die Entstehung vom Lehre der
Heilige Geist, bei Ignatius von
Antiochia, Theophilus von Antiochia, und Irenäus von Lyon; Zwingli Verlag; Zürich 1953.
Schim van der Loef, H.P.; Onderzoek naar de Herkomst en de Strekking
der Zeven Brieven van Ignatius in de Korte Recensie, academisch proefschrift
ter verkrijging van den graad van doctor in de Godgeleerdheid aan de
Rijksuniversiteit te Leiden; A.W. Sijthoff; Leiden 1906.
Schoedel,
W.R.; Ignatius of Antioch, A Commentary
on the Letters of Ignatius of Antioch;
Fortress Press; Philadelphia 1985.
Vossius,
Isaacus; S.Ignatii Martyris epistolae
genuinae ex Bibliothecâ Florentinâ, adduntur S.Ignatii epistolae quales vulg
circumferuntur adhac S. Barnabae Epistola. Accessit universis Translatio
vetus; Eddidit & notas addidit
Isaacus Vossius, editio Secunda;
Londini; Johannis Cellibrand
& Roberti Sollers, MDCLXXX (1680).
Wehr, L.; Arznei
der Unsterblichkeit, die Eucharistie bei Ignatius von Antiochien und im
Joahnnesevangelium; Neutestamentliche
Abhandlungen, neue Folge, Band 18;
Aschendorff; Münster 1987.
Weiß, H.F.; Ut omnes unum sint, zur Frage der Einheit der Kirche im
Johannesevangelium und in den Briefen des Ignatius; in: Rogge, J. &
Schille, G.; Theologische Versuche
X; Evangelische Verlagsanstalt; Berlin 1979.
Artikels
Brent, A.; The Ignatian Epistles and the Threefold
Ecclesiastical Order; The Journal of
Religious History 1992; Part 17, blz 18‑32.
Brent, A.; The Relations Between Ignatius and the
Didascalia; The Second Century
1991; Part 8, blz 129‑156.
Burrus, V.; Hierarchalization and Genderization of
Leadership in the Writings of Ireneaus, in: Livingstone, E.A. ed.; Studia Patristica, Vol.XXI; Peeters Press; Leuven 1989, blz. 42-47.
Crehan,
J.H.; A New Fragment of Ignatius’ Ad
Polycarpum, in: Aland, K. & Crosss, F.L., Studia Patristica Vol.1, part
1; Akademie-Verlag; Berlin 1957, blz.23-32.
Grant, R.M.; Holy Law in Paul and Ignatius, in: Groh,
D.E. & Jewett, R. ed.; The Living
Text, essays in honor of Ernest W. Saunders;
University Press of America;
Lanham 1985, blz 65‑71.
Grant, R.M.; Theological Education at Alexandria, in:
Pearson, B.A. & Goehring, J.E. ed.;
The Roots of Egyptian Christianity;
Fortress Press; Philadelphia
1986, blz 178‑ 189.
Jay, E.G.; From Presbyter‑Bishops to Bishops and
Presbyters, Christian ministry in the second century: a survey; Second Century 1981; Vol.1, part 3, blz 125‑162.
Maier, H.O.; The Charismatic Authority of Ignatius of
Antioch: a sociological analysis;
Studies in Religion /Sciences Religieuses; Vol.18, part 2, blz 185‑199.
Meinhold, P.; Die geschichtstheologischen Konzeptionen des Ignatius von
Antiochien, in: Granfield, P. &
Jungmann, J.A.; Kyriakon, festschrift
Johannes Quasten, volume 1; Verlag
Aschendorff; Münster Westf. 1970, blz.
182-191.
Munier, C.; Note et Communication: a Propos d' Ignace d'Antioche,
Observations sur la liste Épiscopale d'Antioche; Revue des Sciences Religieuses
1981; Part 55, blz 126‑131.
Neirynck,
F.; Note on Patristic Testimonies; Leuven University Press 1990, blz 605‑606.
Neymeyr, U.; Christliche Lehrer im 2. Jahrhundert. Ihre Lehrtätigkeit, ihr Selbstverständnis
und ihre Geschichte, in: Livingstone, E.A.;
Studia Patristica XXI; Peeters
Press; Leuven 1989, blz.158ff.
Norris,
F.W.; Ignaius, Polycarp, and I Clement:
Walter Bauer reconsidered; Vigiliae
Christianae 1976; Vol.30, part 1, blz
23‑44.
Rius-Camps,
J.; Arcaísmos en la teologia de Ignacio
de Antioquía, in: Livingstone, E.A.;
Studia Patristica XXI; Peeters
Press; Leuven 1989, blz. 175-184.
Rius-Camps,
J.; Indicios de una redacción
muytemprana de las cartas auténticas de Ignacio (ca.70-90 d.C.), in: Augustinianum, periodicum semenstre
Institutu Patristici “Augustinianum”;
Roma 1995; volumen XXXV, blz.
199-214.
Schoedel,
W.; Ignatius and the Archives; Harvard
Theological Review 1978; Part 71, blz 79‑106.
Schoedel,
W.R.; Ignatius and the Reception of the
Gospel of Matthew in Antioch, in: Balch, D.L.;
Social History of the Matthean Community, cross‑disciplinary
approaches; Fortress Press; Minneapolis 1991, blz.129‑177.
Stoops,
R.F.jr.; If I suffer: epistolary
authority in Ignatius of Antioch;
Harvard Theological Review 1987;
Part 80, blz 161‑178.
Sundberg,
A.C.; Dependent Canonicity in Irenaeus
and Tertullian, in: Cross, F.L.
ed.; Studia Evangelica; Akademie-Verlag; Berlin 1964; Part II: The New Testament Message, blz
403-409.
Trevett, C.; Apocalypse,
Ignatius, Montanism: seeking the seeds;
Vigiliae Christianae 1989;
Vol.43, Part 4, blz 313‑ 338.
Trevett, C.; The other Letters to the Churches of Asia:
apocalypse and Ignatius of Antioch;
Journal for the Study of the New Testament 1978; Part 37, blz 117‑135.
Yamauchi,
E.M.; Ignatius of Antioch, in: J.D.
Woodbridge e.a.; Great Leaders of the
Christian Church; Moody Press; Chicago
1988, blz 35‑38.
[1] Uit een doctoraal proefschrift aan de UOVS.
[2] Mensen die ongeveer zeven brieven van Ignatius erkennen
als echt, worden Vossiaans genoemd.
Deze uitdrukking verwijst naar de geleerde Isaac Vossius die in 1646
zijn eerste uitgave van de brieven van Ignatius het licht liet zien. De zeventiende eeuwse Nederlander erkende
slechts vijf van de dertien brieven die voor handen waren. Een zesde, de brief aan Polycarpus,
aanvaarde hij slechts met grote moeite.
[3] Gloriosi Christi martyris Ignatii Antiochene,
Antistitis, Epistolae undecim, item una beate Polycarpi Martyris Epistola, cu?
Argume?nto
Tacabi Fabri Stapulensis in easdem, Argent orati MDXXVII (1527). Het is opgenomen in de zelfde band als
Historia persecutioné, quas in Aphrica olim circa D.Augustini tempora,
Christiani perpessi sub ben serycho et Hunerycho vandalorum regibus; Marpurgi,
kalendis Septembribus Anno 1537; (voorwoord: colonie, apud Eucharium 1537,
mense Aug.) Reinhardus Lorichius Hadamarius SDP.
Deze uitgave bevindt zich in de
Rijksuniversiteit van Utrecht, Nederland.
[4] Voorwoord A2: “Primam eius epistolam scribit ad Trallianos,
secundam ad Magnesios, tertiam ad Tarsenses· quartam ad Philippenses, quintam
ad Philadelphios, sextam ad Polycarpum Smyrnæorum Episcopum, octavam ad
Antiochenses, no=nam ad Heronem diaconum Antiochenum, decimam ad Ephesios,
& undecimam ad Rhomanos.”
[5] Vossius, Isaacus;
S.Ignatii Martyris epistolae genuinae ex Bibliothecâ Florentinâ,
adduntur S.Ignatii epistolae quales vulg circumferuntur adhac S. Barnabae
Epistola. Accessit
universis Translatio vetus; Eddidit
& notas addidit Isaacus Vossius, editio Secunda; Londini; Johannis
Cellibrand & Roberti Sollers,
MDCLXXX (1680): Ad Mariam Neapolia que ad zarbum Ignatius/ AC?G 9!C3!; +3G ;,VB@8,4.
[6] Martiales; I?K +; !'3?3G 3+C ?9!CIKC?G 3';!I3?K s !CO3+A3E5?A?K !<J4@P,\"H +B4FJ@8"Â; sancti martyris Ignatii,
Antiochiae Archiepiskopi Epistolae. Nuc
demùm, cum Latina interpretatione è regione Graecis apposita, in lucem editae,
recognitae, & Notis illustrattae.
Per Martialem Maestrem, doctor Theologum; Parisiis, apud Marcum Orry, via Iacobaea ad infigne Leonis
falientis M.DC.VIII (1608), blz 3: epistola 1, Ad Mariam Cassoboliten / 3';!I3S 9!C3!, Grieks en Latijn.
Deze Maria werd
aangesproken als “Maria proselyta Iesu christi”. Zie Vossius, Isaacus; S.Ignatii
Martyris epistolae genuinae ex Bibliothecâ Florentinâ, etc., blz 65: Ignatio
Maria ex Cassobelis.