| Recensie door dr. B. A.
Zuiddam - 10 januari 2001
Irenaeus en het Oude Testament
Lange tijd was hij uit de belangstelling. De theologische wereld van
de twintigste eeuw was met hem verlegen. Irenaeus van Lyon was ouderwets.
Als historisch getuigenis was hij een struikelblok voor veel gangbare
theorieën en hij kon dus het best genegeerd worden. De hervormde predikant
dr. P. L. Wansink heeft recent een bijdrage geleverd in het overwinnen van
deze drempelvrees. Hij promoveerde aan de Utrechtse universiteit op
Irenaeus en diens uitleg van het Oude Testament in zijn confrontatie met
gnostieke dwaalleer.
De verdienste van Wansinks studie is dat hij de integriteit van
Irenaeus als theoloog en bekwaam exegeet demonstreert. Daardoor kan de
kerkvader op zijn minst weer serieus genomen worden. Dat Irenaeus als
bedreigend werd ervaren voor het vernieuwende theologische denken, bleek
al in het Duitsland van de jaren dertig. De kerkvader zou niet veel
betekend hebben, en waar hij wel wat moois had, lag dat niet aan hemzelf,
maar aan de bronnen die hij gebruikte. Theofilus van Antiochië zou zo'n
bron zijn geweest.
De studie van Wansink toont op een bekwame wijze het onredelijke van
zulke sterk gekleurde overtuigingen aan. Zijn afgewogen slotsom in het
geval van Theofilus luidt bijvoorbeeld dat er aanwijzingen zijn dat
Irenaeus misschien zijn geschriften gebruikt heeft, maar dat het harde
bewijsmateriaal ontbreekt. „Er zijn enkele frappante overeenkomsten;
tegelijkertijd zijn er grote verschillen in uitleg.” (blz. 219 en 224).
Joden Een ander positief aspect van Wansinks inzet is
dat hij schrijft als predikant. Als dienaar van Gods Kerk wil hij een
bijdrage leveren aan bezinning op relevante thema's. Zo verschaft zijn
boek een interessant overzicht van Irenaeus' gedachten over de Joden als
volk van God, en levert de kerk stof voor haar gedachtevorming over de
verhouding tot Israël (blz. 118-126). Daarbij confronteert Wansink zijn
lezers op een eerlijke manier met vroegkerkelijk gedachtegoed: „Er kan
geen twijfel over bestaan dat Irenaeus het volk Israël na de komst van
Christus geen heilshistorische rol meer toebedeelt.” Dat is een
opmerkelijke notie, die vraagt om verrekening, te meer daar de kerkvader
zich wel aanhanger lijkt te tonen van een toekomstig duizendjarig
vrederijk op aarde in letterlijke zin.
Toch kan afwijking van de centrale vraagstelling een auteur soms
onnodig wetenschappelijk kwetsbaar maken op bijzaken. Ook dat gebeurt in
dit proefschrift. Wansink breidt zijn werkterrein in de loop van de
dissertatie (hoofdstuk 7) uit naar Irenaeus' positie als vroegkerkelijk
exegeet en wil hem vergelijken met tijdgenoten en voorgangers uit de
tweede eeuw. Dit onderzoeksdoel wijkt te veel af van het centrale thema om
nog degelijk verantwoord te kunnen worden binnen het gestelde bestek.
Vijf auteurs Typerend is dat Wansink de kerkvader
vergelijkt met vijf auteurs, maar bij de evaluatie plotseling ook met
conclusies komt over een zesde, Clemens van Alexandrië, die in het
voorgaande niet onderbouwd zijn (blz. 238). Ook op de selectie van de vijf
auteurs valt veel af te dingen. Wansink vergelijkt Irenaeus bijvoorbeeld
met Melito van Sardis en komt met vrij definitieve conclusies over diens
schriftuitleg (blz. 216). Dat baart opzien, aangezien de man uit
Klein-Azië de wetenschap nagenoeg geen geschriften heeft nagelaten en er
dus geen materiaal is om tot een betrouwbare opvatting over zijn
bijbeluitleg te komen. Het beste wat we hebben, is een bijna 2000 jaar na
dato gereconstrueerde ”paaspreek”, door geleerden samengesteld uit laat
ontdekte fragmenten die in een bijzonder slechte staat verkeren.
Als werkhypothese is het mogelijk om aan te nemen dat de fragmenten van
Melito zijn en afkomstig waren uit een preek. Maar dan nog rest de
wetenschappelijke vraag of het gereconstrueerde document zoals het voor
ons ligt een oorspronkelijke eenheid vormde die geheel aan Melito
toegeschreven kan worden. Dat is op zijn minst twijfelachtig.
Verder: al zouden alle genoemde aarzelingen rond het document zelf als
sneeuw voor de zon verdwijnen, dan nog is het maar één preek. Dat is geen
solide basis om afleidingen te maken over iemands exegese van de Schrift
in het algemeen, noch over het Oude Testament in het bijzonder.
Geest Wansink bepaalt de kerk op positieve wijze bij
de rol van de Geest in de schriftuitleg. Uiteindelijk gaat het om Gods
visie op de mens en zijn bestaan. De auteur merkt meteen op dat de nadruk
bij Irenaeus in dit verband op God als Schepper valt (blz. 35). De
betrouwbaarheid van Gods waarheid als een vaststaand gegeven buiten de
mens wordt zo geaccentueerd.
Tegenover de gnostiek stelt Irenaeus de echte aanwezigheid en
betrokkenheid van God in de schepping en de geschiedenis. Waarheid is de
manier waarop God tegen dingen aankijkt. Schepping en geschiedenis zijn
daarbij vaste ankerplaatsen van Zijn werkzaamheid. Irenaeus beklemtoont de
afhankelijkheid van de Geest in het omgaan met de werkelijkheid en het
verstaan van de Schrift die dezelfde Geest als Auteur heeft. „Daarmee
geeft Irenaeus een hermeneutisch principe van de eerste orde. Uitlegger en
tekst moeten dezelfde Geest ademen”, aldus Wansink (blz. 36).
Irenaeus stelt de kerk van onze tijd voor de vraag naar oprechte
afhankelijkheid in het luisteren naar de Heere, speciaal waar het gaat om
de mogelijkheid van het betrouwbaar ervaren van Zijn stem. Volgens
Irenaeus kan dat en opent de Geest de weg. Geloven we dat nog? Een
belangrijke vraag in tijden waarin de naam van de Geest misbruikt wordt om
geen conclusies aan Zijn letterlijk spreken in de Schriften te verbinden.
|